Workshop Materialen & Circulair Bouwen REAP+ TU Delft

Cirkelstad verdiept zich met ondersteuning van BRIQS zoals verwoord op haar website over circulariteit in gebouwen. Ook vanuit Horizon2020 het EU innovatie programma wordt nader onderzoek hiernaar gedaan, primair nu gericht op circulair bouwen, niet gebouwen. Dit onderzoeksprogramma Buildings As Material Banks of BAMB onder leiding van Leefmilieu Brussel zal de komende tijd verder worden uitgebouwd.

Stichting BRIQS geïnitieerde workshops gehouden aan de TU Delft met medewerking van vijf andere universiteiten en hogescholen om te komen tot het meten van circulariteit van gebouwen. Daaraan doen diverse onderzoekers, docenten, promovendi, afstudeerders en deelnemers uit het bedrijfsleven mee.

Hieronder volgt een weerslag van de vier workshopsessies. Daarbij is steeds een korte introductie gegeven, met concluderend de belangrijkste leerpunten. Dit kan worden gezien als een inventarisatie van de complexiteit van het vraagstuk alsmede een afbakening van de relevante aspecten en het voorzichtig formuleren van uitgangspunten.

Materialen en Circulair BouwenCircular material and product flows in buildingsHet bijbehorende onderzoeksrapport Materialen & Circulair Bouwen is gepresenteerd op 1 juli 2015 op het C2C Inspired lab TU Delft Congress. Het is te downloaden via bovenstaande link en ook in het engels beschikbaar als download.

Een kracht, maar ook potentieel gevaar, van de workshops was de diversiteit van de genodigden, waarvan de samenstelling per sessie verschilde. Hierdoor werd de discussie zowel diep als breed ingestoken en werden sommige thema’s meerdere malen besproken. Herhaling van enkele van de hierboven genoemde aspecten is het logische gevolg hiervan, al onderstreept dit vooral ook hun relevantie.

Workshop 1: Introductie en actoren

De eerste workshop was bedoeld om beter grip te krijgen op het begrip “circulair bouwen”, de rol van grondstoffen, materialen en producten daarin en huidige en toekomstige spelers in het veld. Belangrijke vragen daarbij zijn: Wie zijn de belanghebbenden? Waar liggen de pijnpunten? Wat zijn aan het eind van de dag de sleutelthema’s?

MaDCiB 1aMaDCiB 1bPresentatie van Bob Geldermans met link; MaDCiB 1 BGeldermans. Daarnaast presentatie fragment Remko Zuidema uit 3 februari presentatie TU Delft vanuit slideshare.

Leerpunten

  • De belangrijkste toevoeging van het circulaire gedachtegoed aan de principes van Open Bouwen is de conditie dat de demontabele inbouw bestaat uit componenten en materialen die hoogwaardig te hergebruiken of recyclen zijn;
  • Als de verschillende bouwlagen (drager/inbouw) zouden worden gescheiden betekent dit een twee (of meer?) deling in de aannemerswereld. Er opent zich dan potentieel een aparte inbouwmarkt. Belangrijk daarin is de potentiële verschuiving van  Business-to-Business(B2B) naar Business-to-Costumer (B2C) voor de inbouw waarin een grote kans ligt voor vooral andere communicatie naar consumenten;
  • Eigenaarschap speelt een belangrijke rol in de haalbaarheid van circulaire modellen. Onderscheid tussen juridisch en economisch eigenaarschap is hierbij van belang. Dit is in de Nederlandse wetgeving vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek en vraagt altijd aparte notarieel en kadaster vastlegging bij de vorming van juridisch eigendom in tegenstelling tot omringende landen;
  • In een model waarin onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende bouwlagen met ieder een eigen omloopsnelheid, is het snijvlak van deze lagen cruciaal. Men krijgt te maken met verschillende leveranciers. Wie levert bijvoorbeeld het koppelstuk van de leidingen naar de installaties?

Workshop 2: Thema FLEX 2.0 en adaptief vermogen van gebouwen

De tweede workshop stond volledig in het teken van het onderzoek van Rob Geraedts (TU Delft, Real Estate & Housing) naar “adaptief vermogen van gebouwen” [2015]. Hij gaf een lezing hierover waarin de toekomstwaarde van gebouwen wordt verklaard aan de hand van financieel rendement, duurzaamheid en adaptief vermogen. Op die laatste gaat hij verder in. Het gaat hierbij om het opvangen van veranderingen vanuit de maatschappij, de eigenaar of de gebruiker. Het adaptieve vermogen van een gebouw zou die verandering moeten faciliteren in plaats van te trachten haar te voorkomen. Jarenlang onderzoek heeft geresulteerd in – het zich nog steeds door ontwikkelende – document FLEX 2.0.

MaDCiB 2Presentatie van Rob Geraedts MaDCiB 2 RGeraedts over het product FLEX 2.04 RG NL 090315 Notatieformulier en FLEX 2.04 RG NL 090315 Volledig als tussentijdse onderzoek resultaten.

Leerpunten

  • Een gebouw moet aanpasbaar zijn om te blijven voldoen aan de wensen van zowel gebruiker als belegger. Deze flexibiliteit moet niet een doel op zich zijn, maar een middel om geld te besparen en/of om kwaliteit/geld te genereren;
  • FLEX 2.0 van Rob Geraeds bevat interessant indicatoren m.b.t. adaptief bouwen en de rol van materialen daarin. Naar de meetwaarden die daaraan gekoppeld zijn is verder onderzoek van belang;
  • Er zijn 3 belangrijke thema’s te herkennen die de overlap vormen tussen adaptief en circulair bouwen: Overdimentsionering, Aansluiting/Verbinding en Maatvoering;
  • Gebouwen dusdanig ontwerpen dat de materialen hun kwaliteit behouden (circulair) is vooral relevant als we een toekomst tegemoet gaan waarin materiaalschaarste economische consequenties zal hebben;
  • Communicatie is een essentieel knelpunt. Gebouwen kunnen dan wel aanpasbaar, demontabel of uitbreidbaar zijn, maar als de gebruiker hier niets van weet, is het voor niets geweest.

Workshop 3: Thema Bouwmaterialen en hun eigenschappen

In de 3e workshopsessie lag de focus op grondstoffen, materialen en producten. Er is besproken wat voor soort materialen/producten traditioneel worden toegepast in de bouw en hoe dat zal gaan veranderen in de aanloop naar circulaire gebouwen. De focus van de discussie zat in het definiëren van eigenschappen en randvoorwaarden die circulariteit bevorderen. Wat is de hergebruik potentie van een materiaal of product? Hoe kunnen deze zo hoogwaardig mogelijk vrijkomen uit gebouwen? Het zwaartepunt verschuift daarbij automatisch van materiaal naar verbinding. Hoe verschillende bouwelementen en –producten aan elkaar verbonden zijn en of deze verbinding omkeerbaar is.

Maatvoering en standaardisering spelen in die discussie ook een belangrijke rol als het gaat om universaliteit en uitwisselbaarheid.

MaDCiB 3Presentatie door Bas Slager van Repurpose. En presentatie door Jouke Post van XX Architects, die niet voor publiek beschikbaar is.

Leerpunten

  • Standaardisering op materiaalniveau schept voorwaarden voor recycling. Standaardisering op productniveau schept voorwaarden voor verbindingen en aansluitingen;
  • Het invoeren van standaardisering legt beperkingen op de ontwerpvrijheid en zal een vermindering van de diversiteit van onze gebouwde omgeving tot gevolg hebben;
  • Digitale productietechnieken kunnen specifieke vraag op een materiaalefficiënte manier reguleren waardoor standaardisering van producten niet altijd de beste oplossing is;
  • Standaardisering van maatvoering; niet nodig als de verbindingen tussen elementen gestandaardiseerd zijn;
  • Als het waardeverschil tussen product en materiaal/grondstof groot is, is het zinvol om standaardisering toe te passen;
  • Levensduurbepaling van iedere gebouwlaag zou aan het begin van het ontwerpproces moeten worden gedefinieerd zodat materiaal- en productkeuze daarop kan worden afgestemd.

Workshop 4: Thema Economische modellen & circulair bouwen

Tijdens deze 4e en laatste sessie lag de focus op het verkennen van de economische mogelijkheden en struikelblokken in de overgang van een lineaire naar een circulaire economie. De belangrijkste onderwerpen die hier aan de orde zijn gekomen, zijn: business, aanbesteding, wet- en regelgeving, digitalisering en private- en publieke meerwaarde.

MaDCiB 4aMaDCiB 4bPresentaties door Rene de Klerk van Rendemint en presentatie door Ruben Vrijhoef van Hogeschool Utrecht MaDCiB 4 RVrijhoef.

Leerpunten

  • Het invoeren van materiaalgegevens van een gebouw heeft voordelen in alle levensstadia.
    – Tijdens de gebruiksfase kan worden teruggeleid wie de producent of leverancier van een bepaald product is in het geval dat iets moet worden vervangen, hersteld of gedemonteerd;
    – Voorafgaande aan de sloopfase weet een sloopaannemer ook precies wat er in het gebouw aan materiaal zit en kan tijdig beginnen met het zoeken naar de juiste afnemers/verwerkers voor deze materialen of producten;
  • Het laten doordringen van circulair gedachtegoed kan op twee manieren: Bottom-up (stapje voor stapje de huidige praktijk veranderen) of top-down (verandering opleggen d.m.v. bijvoorbeeld wetgeving);
  • Het onderscheid tussen ‘less bad’ en ‘good’ (zoals gemaakt in het C2C gedachtegoed) is ook van toepassing op de bouw: Downcycling uit bestaande bouw is ‘less bad’, gebouwen ontwerpen vanuit volledig circulaire principes is ‘good’;
  • Circulaire kringlopen zijn met het merendeel van de bestaande output geen haalbare kaart. Een betere valorisatie van sloopmateriaal uit die bestaande voorraad vormt echter een belangrijke stap vooruit, zeker als dit lokaal kan worden toegepast en als er een volgordelijke beoordeling aan vooraf ging: Sloop noodzakelijk? Delen direct her te gebruiken? Etc. De vraag is wel of dit de juiste stap is naar een circulair bouwparadigma, want het kan ook traditionele patronen bestendigen;
  • De transitie naar circulaire verdienmodellen ligt voornamelijk besloten in toekomstige wet- en regelgeving met betrekking tot de volgende aspecten:
    – kwaliteit en eigenschappen van materialen (bijv.: toxiciteit, zuiverheid, etc.);
    – Inkoopmethoden / aanbestedingen / contracten met leveranciers;
  • Recyclingprocessen zullen technisch moeten verbeteren als we materialen 100% willen kunnen recyclen zonder er zuivere grondstoffen aan toe te hoeven voegen.

Conclusies

Vanuit literatuur en de workshop sessies zijn er waardevolle lessen te trekken ter ondersteuning van de stap naar praktische implementatie van circulariteit in de bouw. Die bevindingen komen samen en werken toe naar een set sleutelindicatoren en een stappenplan.

  1. Ten eerste moeten bouwmaterialen en -producten voldoen aan een aantal criteria waarin de intrinsieke eigenschappen in orde zijn;
  2. Verder dienen de producten vervaardigd te zijn in afstemming met het ontwerp en gebruik van het gebouw, wat we de relationele eigenschappen;

Op het snijvlak van de twee zullen zich gekoppelde indicatoren voor circulair bouwen, vanuit overwegend technisch oogpunt, manifesteren. Deze indicatoren zijn:

  • De exacte samenstelling van het materiaal of product;
  • De prestatiekwaliteit van het materiaal of product;
  • Het beoogde (her)gebruiks-pad van het materiaal of product;
  • De mogelijke performanceduur van materiaal, product, component of dienst;
  • De toegepaste verbindingstechniek tussen materialen, producten of componenten;
  • De gehanteerde maatvoering van de materialen, producten of componenten;
  • De datakwaliteit van het registratiesysteem.

Ondanks het technische accent raken we in dit onderzoek vanzelfsprekend aan meerdere domeinen: Hoe wordt een en ander financieel en logistiek geborgd, bijvoorbeeld? Dergelijke borging is omgeven door wettelijke, economische en regulerende factoren. Een complex samenspel, waarbij technische, sociale, financiële, juridische en organisatorische aspecten moeilijk los van elkaar gezien kunnen worden…

Stichting Briqs | KvK 54198399 | Algemene Voorwaarden